Geschiedenis - Ursula

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Geschiedenis


Voorwoord

In oktober 2008 is er ter gelegenheid van de feestelijke heropening van onze verbouwde en vernieuwde schoolgebouw  voor de kinderen een ballonnenwedstrijd. Honderden gekleurde ballonnen kiezen het luchtruim en in de weken hierna komen voornamelijk uit Duitsland de kaartjes retour. Vanuit Keulen ontvangen we een brief met een uitgebreid verhaal over de H. Ursula, stadspatroon van Keulen.
Mijn belangstelling voor de legende van de H. Ursula is gewekt.

Onze school draagt haar naam vanaf 1920 en speelt een belangrijke rol in de onderwijsgeschiedenis van Kerkrade. De zusters Ursulinen zijn in 1859 door de toenmalige deken Quadbach naar Kerkrade gehaald om onderwijs aan meisjes te verzorgen.
Na decennia het onderwijs te hebben verzorgd, dragen de zusters in 1976 het bestuur over aan Stichting Katholiek Schoolbestuur Kerkrade-Centrum.  Aan mij de eer om als “hoofd der school” zuster Andrea op te volgen.

Na mijn besluit om in 2012 gebruik  te maken van de pensioenregeling ontstond bij mij de behoefte om, na zoveel jaar de school geleid te hebben, in overdrachtelijke zin iets na te laten, dat herinnert aan de oorsprong van de school en het gedachtegoed van de zusters.
Ik herinnerde me de brief uit 2008 en heb me verdiept in de legende van de H. Ursula. Dit heeft geleid tot het bezoeken van plekken waar de legende zichtbaar is.
Tegelijkertijd heb ik de draad van een passie uit het verleden opgenomen om mijn vrije tijd in de toekomst te vullen: beeldhouwen.

In dit beeldboek een verslag van mijn omzwervingen en bijzonderheden over de legende van de H. Ursula, afgewisseld met foto’s van het ontstaan van de sculptuur die ik als symbool aan de school schenk, met de wens dat de school verder gaat in de voetsporen van………..

Bert Schiffelers                    Kerkrade,  12 oktober 2012


Het kleine Ursulaschrijn is de voorloper van het Ursulaschrijn beschilderd door Hans Memling in het Memling in Sint Jan Hospitaalmuseum.
Het hoort tot de zogenoemde pre-Eyckiaanse schilderkunst van 1380-142. Wereldwijd zijn er slechts een 30-tal panelen uit deze periode bewaard gebeleven. Tijdens de restauratie zijn de talrijke overschilderingendoor specialisten manueel met scalpel onder een microscoop weggenomen. Op deze manier kon dit zeldzaam beschilderd houten schrijnuiteindelijk in zijn meest originele staat hersteld worden.

Hans Memling, geboren in Seligenstadt am Main, kwam  via Keulen en Brussel in 1465 naar Brugge,waar hij dertig jaar werkte.
Het Ursulaschrijn werd, als reliekhouder, vermoedelijk besteld door de zusters van het Sint Janshospitaal. In 1489 werden de relieken van het oude in het nieuwe reliekschrijn overgebracht.


In het Groeningenmuseum te Brugge bevindt zich een veelluik met taferelen uit de legende van de
H. Ursula, dat toegeschreven wordt aan de meester van de (Brugse) legende van de H. Ursula.
Een noodnaam voor een zeer productieve meester die aan het einde van de 15e eeuw zeer actief was.
Hij leefde van 1436 tot 1504.
De datering wordt vergemakkelijkt door het feit dat hij op de achtergrond afbeeldingen van duidelijk herkenbare Brugse gebouwen weergaf. Met name het Belfort onderging in deze periode een aantal opmerkelijke veranderingen.
Het veelluik werd in opdracht geschilderd voor het klooster van de Zwarte Zusters in Brugge (1482).
Het bestaat nu nog uit 10 schilderijen. Het middenpaneel, vermoedelijk voorstellend Ursula met de maagden onder haar mantel, is verloren gegaan.


Legende

In de 5e eeuw leefde in Brittannië een vrome christenkoning Maurus geheten. Hij had een dochter, Ursula. Ze was mooi en wijs en stond in hele land bekend om haar rechtschapen levenswandel.

De heidense koning van Engeland, Holofernes, was een machtig man. Hij had vele volkeren aan zich onderworpen. Toen hij over haar deugden , wijsheid en schoonheid hoorde,  sprak hij : “Ik zou de gelukkigste man van de wereld zijn, als ik haar als bruid kon geven aan mijn enige zoon Aetherius.
Dus werden herauten naar Ursula’s vader gezonden. Ze moesten hem de complimenten brengen en grote geschenken in het vooruitzicht stellen. Desnoods moesten ze hem bang maken met bedreigingen.
Dat bracht de koning in een geweldige gewetensnood. Hij wilde zijn dochter niet als vrouw geven aan een heiden. Trouwens dat wilde ze zelf nooit en te nimmer! Tegelijk was hij beducht voor de woede van de koning.

Ursula gaf haar vader de raad op het verzoek van de koning in te gaan: echter op voorwaarde dat zij tien voortreffelijke maagden zou krijgen, die op hun beurt nog eens duizend maagden als metgezel mochten uitkiezen om hen gezelschap te houden. Dan wilden ze schepen hebben om drie jaar op pelgrimstocht te gaan. In de tussentijd zou Aetherius zich moeten laten dopen.

De voorwaarden worden aanvaard en Ursula’s vader gebood nog dat ook mannen ter bescherming in haar gevolg mee zouden gaan.
Zo kwamen van alle kanten de meisjes bij elkaar. Ook bisschoppen sloten zich aan, waaronder Pantilus, de bisschop van Basel.

Toen de schepen geladen waren, brak de dag aan dat zij met gunstige wind naar Gallië zouden varen. Op zee steekt echter een storm op die hen naar de Nederlandse stad Thiel brengt. Vandaar varen ze de Rijn af naar Keulen. Daar verscheen een engel aan Ursula die haar verkondigde weer naar Keulen terug te komen om de martelaarskroon te ontvangen.
Daarop voeren ze richting  Rome. Zo kwamen ze in Basel; daar lieten ze de schepen achter  en ging en over land te voet verder.

Paus Cyriacus  was zeer verheugd en ontving hen met veel eerbetoon. Die nacht kreeg hij een visioen dat hij met deze maagden de marteldood zou ondergaan. Hij deed afstand van zijn pauselijke waardigheid, benoemde een zekere Ametus als paus en vergezelde maagden terug naar Keulen.

Twee kwaadaardige aanvoerders van het Romeinse leger, Maximus en Africanus, gaven Attilla en zijn Hunnen  de opdracht de horde christenmeisjes in Keulen op te wachten en te vermoorden omdat zij bang waren dat het christengeloof veel te groot zou worden.
Intussen was Aetherius christen geworden en werd aangespoord om zijn bruid in Keulen tegemoet te gaan en zich bij hen  te voegen.

Toen het gezelschap op 21 oktober 451 in Keulen arriveerde, vielen de Hunnen hun aan als wolven bij schapen en brachten ze allemaal ter dood. Ursula werd eerst nog gespaard omdat koning Attilla voor haar stralende schoonheid was gevallen en haar tot vrouw wilde nemen. Toen Ursula dit afwees, richtte hij zijn pijl op haar en schoot haar dood.
Na dit gruwelijke feit worden de Hunnen door hemelse kampvechters verslagen. De geredde burgers van Keulen begroeven de maagden en tot eeuwige roem en zegen van Keulen rusten ze daar in vrede.






 
 
web counter
web counter
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu